DMX patchen
Het patchen van lampen gaat middels een “fixture block”, een block met gegevens (attributes) die de lamp vertegenwoordigen. Dit block bevat gegevens als Mode, Kanalen, Universe, Adres enz. De vaste gegevens (vermogen, naam, welke mode heeft hoeveel kanalen enz.) komen uit het Spot Info bestand. De variabele gegevens zoals ID (Desk Channel), Universe en Adres worden door SCAD Re-Event bepaald. Dat kan direct bij het invoegen met DMXINSERT, of door achteraf DMXPATCH te gebruiken.
Het ficture block kan aangepast worden, welke gegevens er gebruikt worden is voor het grootste gedeelte vrij, zo lang het maar overeenkomt met het Spot Info bestand en ook met de export Template. Export naar MVR gaat met MVREXPORT en MVRIMPORT laadt de gegevens weer in. De beide laatste commando’s zijn nog in ontwikkeling.
Om een en ander goed te laten werken zijn er een aantal instellingen nodig en moeten er een aantal bestanden aanwezig zijn. Eerst de bestanden:
Spot Info: Een Excel bestand met informatie over een armatuur/spot (fixture). Dit bestand bevat onder andere het aantal kanalen en de verschillende modi. Standaard is dit Spot-info SCAD Re-Event.xlsx in c:\scad-rev\database
DMX Template: Bij uitvoer van de patchlijst wordt een bestand gebruikt waarin de gegevens komen. Standaard is dit DMX Template.xlsx en staat ook in de Database map.
$FIXTUREBLOCK.DWG Dit is het block dat de attributes (gegevens) bevat van een lamp (mode, universe, adres enz.). Het block mag een andere naam hebben als het maar ingesteld staat in de settings. Standaard staat dit block in c:\scad-rev\support.
De patch module van SCAD Re-event werkt dus met een block met attributen die de gegevens van de lamp bevatten. De lamp zelf, zoals deze in de bibliotheek staat, heeft geen attributes nodig. Het grote voordeel hiervan is dat het block met de gegevens (attributes) altijd netjes geplaatst kan worden, zonder dat er teksten door een truss of een lamp geschreven staan. Zoals in de afbeelding helemaal boven in is te zien staan de patch gegevens goed leesbaar in de tekening.
Het patch block is meestal “gekoppeld” aan een lamp in de tekening, maar dat hoeft niet. Met alleen patch blocks kan er prima een patch gemaakt worden. Het patch block heeft een flink aantal attributes, waarvan er standaard maar enkele zichtbaar zijn (ID, Universe en Address).
Het patch block werkt samen met het Spot Info bestand om te bepalen welke spot het is en welke modus beschikbaar is met hoeveel kanalen. Een aantal attributes moet daarom qua naam overeenkomen met een bepaalde kolom in het Spot Info bestand. Een en ander is aan te passen in het DMXSETTINGS menu:
Hier een overzicht van de verschillende commando’s in de ribbon:
DMXSETTINGS : Instellingen voor DMX commando’s. De meeste staan standaard goed, maar de Title settings betreffen het kader dat in een layout staat. Kies hier welke attributes op welke plek in de Template header komen.
DMXEXPORT: Zet gegevens (attributes) naar Excel aan de hand van de template en slaat deze op naast de tekening. Wanneer er al een export bestand bestaat wordt hier de data naartoe geschreven.
Zodra de gegevens ingevuld zijn zal DMXEXPORT aan de hand van de template (ingesteld in DMXSETTINGS) de gegevens in een Excel bestand zetten. Het bestand krijgt de naam van de tekening en staat in de map van de tekening. Als hier wijzigingen worden gedaan en het bestand wordt gesaved (ctr-s) kan met DMXIMPORT de data weer worden ingelezen, de attributes worden aangepast aan hand van de inhoud van het Excel bestand. Zorg ervoor dat het Excel bestand gesloten is als dit commando wordt uitgevoerd.
Een aantal SCAD Re-Event commando’s zijn handig als met attributen wordt gewerkt:
COPYATT: kopieert de inhoud van een attribute naar een ander block
UPATT: (Update Attribute) kopieert de inhoud van een attribute naar alle blocks met dezelfde naam
GATTE: (Gobal Attribute Edit) bewerkt de inhoud van een attribute voor alle blocks met dezelfde naam in de tekening.
SELBKLATT: selecteert blocks aan de hand van de content van een attribute