SCADDATTRIBUTES
Met SCADDATTRIBUTES voeg je achteraf attributen toe aan blocks die al in de tekening staan. Je geeft de namen (tags) van de attributen op, het commando voegt ze toe aan de block-definitie en geeft elk exemplaar van het block direct een lege waarde voor die attributen. Je hoeft de blocks dus niet los te maken of opnieuw in te voegen.
Starten
Typ SCADDATTRIBUTES op de opdrachtregel.
Werkwijze
- Selecteer vooraf de blocks, of kies ze als het commando erom vraagt. Alleen block-referenties (inserts) worden geaccepteerd.
- Het venster Add Attributes to Blocks opent. Typ een tag in het veld en klik op Add of druk op
Enter. Herhaal dit voor elke tag die je wilt toevoegen. Tags worden automatisch in hoofdletters gezet. - Wil je een tag weer weghalen, klik dan op de
-achter de tag, of selecteer tags in de lijst en klik op Remove of druk opDelete. - Laat Invisible attributes aan als de attributen niet zichtbaar in de tekening moeten staan (standaard aan), of zet het uit.
- Klik op OK. Het commando meldt het resultaat, bijvoorbeeld
Added N attribute(s) to N block definition(s), N reference(s) updated.
Bestaat een tag al in het block, dan wordt die niet nog een keer toegevoegd. De nieuwe attributen krijgen een lege waarde en staan op het insertiepunt van het block; vul ze daarna in met bijvoorbeeld SCTEXT of via de eigenschappen.
Instellingen
| Instelling | Wat het doet |
|---|---|
| Invisible attributes | Standaard aan. Maakt de nieuwe attributen onzichtbaar. |
| Tag-geschiedenis | Eerder gebruikte tags (maximaal 30) staan in de keuzelijst van het tagveld, zodat je ze niet opnieuw hoeft te typen. |